woensdag 12 oktober 2016

Familie

Het went nooit. Dat je ergens heen gaat en vooraf al weet dat je er bekenden zult ontmoeten en dat er toch niemand is die jou kent. Ik open de deur van mijn auto die ik na een lange rit zojuist naast de haag van dit restaurant parkeerde. Ik stap uit en stel me voor dat ik me thuis zal voelen komen als ik de geur van de omgeving opsnuif. Ik haal een diepe teug… jakkes! Koeienpoep. Het is niet door deze geur maar toch ervaar ik een veilig, vertrouwd gevoel – het zal wel iets subliminaals zijn. Dit is mijn geboortegrond. Niet letterlijk deze plek, maar deze regio. Misschien voelt het alleen maar zo omdat ik weet dat ik zo meteen een paar tiental van mijn neven en nichten ga ontmoeten. Een deel heb ik voor het laatst gezien op de vorige Neven&Nichtendag, acht jaar geleden toen ik nog een neef was. De rest heb ik op zijn best 15 jaar geleden gezien op de uitvaart van onze oma.

Ik ben bewust niet te vroeg gekomen, zodat ik mijn feitelijke coming-out niet uit hoef te smeren over het uur waarin iedereen binnendruppelt. Nu is zo ongeveer iedereen er vast al. Ik loop van de parkeerplaats af en voor ik de deur van het zaaltje naast het restaurant open trek, haal ik diep adem en terwijl ik me realiseer dat de geur van koeienpoep snel went, stap ik naar binnen. Daar staan mijn neven en nichten – met aanhang – geanimeerd met elkaar te praten. Wanneer de eerste mij opmerkt, draait iedereen haast synchroon het hoofd mijn richting op. Ze wisten dat ik kwam. Ze wisten inmiddels ook wel van mijn transitie. Dat het roddelcircuit goed werkt wist ik al nadat ik vorig jaar een nicht had bezocht. De dagen erna kreeg ik via Facebook veel vriendschapsverzoeken van bijna alle andere nichten en neven die me nu aanstaren. Nu zien ze me voor het eerst in het echt. Ik stap de groep in en begin de eersten te begroeten. Iedereen haalt adem en zakt ontspannen terug in hun eigen gesprekken, met een nieuwsgierig half oog controlerend of ik ook nog wel bij hun langs ga komen. Mijn sociale flair helpt me daar zwierig en energiek doorheen. Obligate vragen – terecht en welgemeend, daar niet van – passeren. Antwoorden komen. Ik moet meerdere keren de zin “Goh wat ben jij veranderd” inslikken omdat het op de een of andere manier ongepast voelt om te zeggen tegen een neef wiens transitie beperkt bleef tot het aankomen van een kilo of 15.

We praten en we eten. We eten en we drinken. En terwijl ik kijk en luister naar deze mensen dringt tot me door dat hun stemmen, hun bewegingen en hun grappen me vertrouwd zijn. En toch is er iets nieuws: het gevoel dat ze me toelaten; dat ze contact met me maken. Dat voelt niet vertrouwd maar toch vanzelfsprekend. Het is dat vreemde gevoel dat je kunt hebben als je voor het eerst na 10 jaar een persoonlijk gesprek met een collega hebt. Toen een neef me zei dat hij me zo leuk geworden vond (“Vroeger kon ik zo moeilijk echt contact met je maken. Probeerde ik nevendingen met je te doen, maar het leek altijd of je ergens anders was, alsof je er niet bij was”), drong tot me door wat het was: het zijn niet mijn neven en nichten die nu contact met mij maken. Ik ben het zelf. Voor het eerst in mijn leven maak ik echt contact met hén. En dan sijpelt er een gevoel van onvoorwaardelijke verbondenheid binnen dat me ontroert. Ik ben verbonden met deze mensen. Zij zijn mijn familie. Ik heb een familie! Ik ben niet alleen!

Er komen steeds meer verhalen over vroeger over tafel. Ik herken het decor van die verhalen. Het huis van oma en opa. Het bos daar vlak bij. De vrachtwagens van het transportbedrijf van mijn oom. Ooms en tantes. Hun huizen. De geur van het bed op hun logeerkamer. De verhalen echoën beelden in mijn hoofd. Maar de feitelijke gebeurtenissen kan ik me nauwelijks herinneren. Ik was er bij; de beelden in mijn hoofd zijn daar bewijs van. Maar het voelt alsof ik er geen deelgenoot van was. Alsof ik inderdaad ergens anders was zoals mijn neef zei. Op een plek waar ik geen concrete herinneringen aan gebeurtenissen kon opslaan, maar slechts het zware gevoel van de grijze eenzaamheid van mijn jeugd. Mijn herinneringen zijn leeg. Flintertjes indrukken die ver van de essentie afstaan omdat in die essentie een genderdysforie opgesloten zat die ik niet wilde voelen. En terwijl ik mijn neven en nichten geestdriftig elkaars verhalen zie aanvullen omdat ze er allemaal bij waren, voel ik me opnieuw eenzaam.

Wie je bent wordt mede bepaald door wat je hebt meegemaakt. Goede en slechte herinneringen bepalen je voorkeuren en gedrag. Alsof je in je dagelijkse doen een constant lijntje hebt met je afstamming, met je geschiedenis. Als mijn herinneringen mij definiëren, dan ben ik niemand. Ik ben niet de man gebleken die ik probeerde te zijn. Maar ben ik de vrouw die ik nu wil zijn, als die gefundeerd is op een flinterdunne laag ambigue versnipperde indrukken uit het verleden die de naam ‘herinnering’ niet eens mogen dragen? Mijn leven zweeft. Vandaag ben ik onderdeel van een familie geworden die ik niet zozeer kwijt was geraakt, maar die ik feitelijk nooit heb gehad. Nu ik zie hoe stevig mijn familieleden staan in een consistente persona die hun verleden en hun toekomst definieert, voel ik hoe mijn levenspad me voor altijd een beetje uit balans zal houden. Mijn verleden heeft geen toekomst en mijn toekomst geen verleden. Dankzij mijn paradoxale geboorte in een halfgeleefd leven.

vrijdag 7 oktober 2016

Geslaagd

De stoppels van mijn pas geschoren schaamhaar raspen wanneer ik met mijn vingers over mijn venusheuvel ga. Ooit raspte mijn gezicht ook zo, en ondanks dat ik verwacht nog wel anderhalf jaar ontharingsbehandelingen nodig te hebben en soms de uitzichtloosheid daarvan niet kan verdragen, is mijn baard inmiddels toch behoorlijk uitgedund. Mocht ik ooit nog eens een vrouw beffen, dan weet ik zeker dat de rollen omgedraaid zullen zijn, qua prikken. Ik laat mijn hand rusten aan de bovenkant van mijn schaamlippen. Rusten, dat is het. Ik onderzoek niet. Ik probeer niet te duiden. Ik doe geen poging mijn nieuwe lichaamsdeel te snappen. Het lijkt alsof ik al mijn hele leven een vagina heb gehad. Niks bijzonders. Behalve dan die nare ontsteking.

Sinds een week of twee verlies ik af en toe een drupje bloed. Als ik een baarmoeder en eierstokken gehad zou hebben, zou dat alleen maar mijn vrouwelijkheid en – prettig idee – mijn jeugdigheid bewijzen. Maar helaas: het weefsel van mijn vagina is al een tijdje onrustig en een paar dagen geleden had ik een heuse plas bloed in mijn inlegkruisje. Soms komt het bloed kort na het dilateren, dat overigens ook pijnlijk geworden is – vooral wanneer ik Mr. Big probeer in te brengen. Maar soms bloedt het totaal onverwacht. Eergisteren zwol mijn vagina op. Zomaar. De pijntjes die ik al eerder voelde, groeiden ineens uit tot heuse pijnlijke steken, zoals ik die ook kort na de operatie gevoeld heb. Alles daar beneden is nu rood, gevoelig en stinkt.

Gisteren ging ik naar de huisarts. Ik had me al een tijdje geleden verheugd het resultaat van de operatie vol trots aan mijn dokter te laten zien en ik baalde dat het er nu niet zo lekker bij hing. Als een wiebelige en onwillige dreinende dreumes wanneer je nét vol trots aan je visite wilt laten zien hoe goed je kindje al zonder handjes kan lopen. Maar het lot was me goed gestemd, mijn huisarts was op vakantie en ik zou een waarnemer te spreken krijgen.

De vrouw was heel kalm en open en hoorde mijn verhaal aan. Nou ja, ze moest goed luisteren want vanwege een zware verkoudheid had ik geen stem meer. Aandachtig keek ze me aan toen ik vertelde over mijn vaginale ongemak. “Zou je een SOA kunnen hebben?”, vroeg ze. “Nee, want ik mocht de afgelopen maanden geen seks hebben van de arts”, antwoordde ik. Haar pupillen werden vraagtekens. “Ik ben ruim drie maanden geleden in Thailand geopereerd aan mijn vagina”, probeerde ik. En toen ze reageerde met “Wat voor operatie was dat?”, werd ik blij. Ze zag het niet. “Ik ben transgender en ik heb net mijn vagina gekregen”. In verwarring keek ze gauw naar haar computerscherm alsof ze iets gemist had in mijn elektronische patiëntendossier. Ik keek met haar mee en ik zag het er ook niet met koeienletters bovenop staan. En dat staat het dus kennelijk ook niet op mijn voorhoofd.

Natuurlijk ging ze even naar mijn vagina kijken, dus daar lag ik op een vers afgerold stuk papier op haar behandeltafel. Doelgericht keek ze naar de roodheid en de kleine wondjes die ik zelf – hannesend met een spiegeltje – al had gevonden. Drie wondjes, vlak bij de plasbuis. Ze vermoedde een bacteriële infectie, geen schimmel, en wilde een kweekje laten maken. Ze inspecteerde ook nog de binnenkant – met een smalle eendenbek, want na pas drie maanden dilateren is mijn vagina nog niet superwijd. Het maagdenspeculum noemde ze het en ik vond dat wel toepasselijk. Ik ben immers weer maagd geworden. Zo voelt het althans.

Ik was opgelucht te horen dat er geen wondjes aan de binnenkant zaten, wel gelige afscheiding die haar vermoeden van een infectie verder bevestigde. Terwijl ze het speculum in haar bakje legde vroeg ik wat ze van mijn vagina vond. Ze had er immers al heel wat gezien in haar beroepsleven, zo nam ik aan. Ik zag haar ogen uitzoomen van de rode huid en de gelige aanslag naar het totaalplaatje en haar gezicht werd opener, om niet te zeggen verrast. “Het is echt prachtig gedaan. Ik kan hier ook niet aan zien dat je ooit een man geweest bent. Wat mij betreft ben je geslaagd als vrouw”. Ik glimlachte blij en nu ik op de bank lig en met mijn hand op mijn venusheuvel aan deze arts terugdenk, voel ik die blijdschap weer. Natuurlijk kan haar opmerking opvatten als een onbewust en onbedoeld opgedrongen norm: er is kennelijk iets om aan te voldoen. Maar aangezien ik mezelf sinds mijn operatie zo stoor aan de mannelijke echo van mijn lijf en recent zelfs met ‘hey kerel’ ben nageroepen, steek ik het compliment maar al te graag in mijn zak. Een lichtpuntje in deze periode van malaise. Ik ben geslaagd. Nu nog gezond en fit worden.

woensdag 5 oktober 2016

Laat maar...

Bij elke knippering met mijn ogen voel ik de huid van mijn wangen – of beter gezegd: van mijn wallen – trekken. Het komt vast door het zout dat zich er heeft afgezet toen mijn tranen eindelijk droogden na mijn lange huilbui van zojuist. Ik knipper vaak, want het licht van het scherm van mijn computer is fel in de pikdonkere kamer. Het schijnsel van een eenzame lantaarnpaal in mijn straat is de enige lichtbron die het scherm gezelschap probeert te houden. Terwijl de emoties en gedachten na mijn uitbarsting van zojuist langzaam neerdwarrelen in mijn gemoed, probeer ik voor het eerst sinds weken weer eens iets te schrijven op dit blog. Niet dat er zich eerder geen onderwerpen aandienden, geen emoties lieten voelen, geen interessante gebeurtenissen voordeden. Eerder het tegenovergestelde. Ik maak me zorgen om S.; hij voelt met de dag verder weg. Ik maak me zorgen om de kilte tussen mij en zijn moeder die ik maar niet weet te doorbreken. Ik maak me zorgen om mijn duurbetaalde getransplanteerde haar, dat sinds de operatie in Thailand in rap tempo uitvalt. Alsof die haren niet belangrijk waren om de mannelijkheid van mijn gezicht te verzachtten. Ik maak me zorgen om mijn vagina, die is gaan stinken en tegen alle verwachting in ook is gaan bloeden. En ik plas nog steeds mezelf aan alle kanten nat. Ik had gehoopt na de operatie mijn nieuwe lichaamsdeel langzaam maar zeker te mogen ontdekken. Langzaam maar zeker in mijn hart te mogen sluiten. Maar mijn vagina maakt me moedeloos. Ik heb er ongemak van als was het een jonge hond die maar niet zindelijk wil worden, ondanks dat je er tien keer per dag mee gaat wandelen. De jonge hond die alle poten van de meubels kapot heeft gekrabd en die alle schoenen heeft stukgebeten. Een jonge hond die je voor je plezier in huis had genomen, maar die je vooral heel veel last bezorgt. Het is dat die hond zo schattig is. Het is dat mijn vagina zo mooi is.

Mijn dagen vullen zich met geploeter. Niet alleen met de ongemakken van mijn lijf en de zware verzorging die ik het moet geven. Maar ook met werk dat ik deels uit misplaatst optimisme en deels noodgedwongen had aangenomen. Het is fijn dat ik, na de operatiekosten en maanden geen inkomen vanwege de revalidatie, op dit moment meer verdien dan ik tot nu toe dit jaar hebt gedaan; mijn bankrekening en mijn geldverstrekker halen opgelucht adem. Maar het werk – en mijn gebrek aan energie om het uit te voeren – zit me in de weg. Ik heb net een onvoorstelbaar grote stap genomen in mijn transitie. Een enorme ingreep in mijn lichaam gedaan. Ik heb het universum verlaten en ben aangekomen in een nieuwe, fundamenteel andere, werkelijkheid. Ik voel de impact, maar het kan allemaal niet echt tot me doordringen, omdat ik de poort gesloten houdt. Ik vlucht in werk. Ik vlucht in frustraties om S. Ik vlucht in duizend-en-een stomme onbevredigende klusjes die op me afkomen en waarvan ik denk dat ze belangrijk zijn; zoals een bezwaar indienen bij de zorgverzekering tegen de abominabel lage vergoeding die ze me voor mijn operatie hebben gegeven; zoals protesteren tegen onterechte facturen die leveranciers me ineens menen te moeten sturen; zoals verstopte afvoeren en haperende auto’s. En dat terwijl er grootse dingen op me liggen te wachten.

Ik zou graag mijn lijf liefdevol ontdekken. Seksueel actief willen worden als vrouw. Op reis gaan, niet naar een operatiekamer, maar naar een fijn wandelgebied in ruige, zonnige natuur. En ik zou eindelijk eens dat boek willen gaan schrijven, gebaseerd op dit blog. Ik ben een schrijver, vind ik. Vinden anderen. Maar zonder boek ben ik geen echte schrijver en mijn verhaal is belangwekkend genoeg voor een groter publiek. Mijn verhaal is informatief, ja zelfs inspirerend, voor iedereen die zoekt naar identiteit of die dierbaren heeft die die barre tocht ondernemen. Niet omdat ik nu zo bijzonder ben of omdat mijn proces nu zo bijzonder is. Maar omdat ik mezelf toen ik aan dit blog begon had beloofd onverbiddelijk eerlijk en open te zijn en daar behoorlijk in geslaagd ben. Ik laat alles zien. Zodat anderen begrijpen. Dat was mijn voornemen, maar de laatste weken is dat commitment wankel geworden. Ik begin af te haken omdat er maar geen eind aan komt.

Ik voel me als een lezer die koortsachtig honderden pagina’s heeft doorgelezen; hunkerend naar een apotheose, een verlossing, die maar niet wil komen en die zich afvraagt of je het eigenlijk wel kunt maken om een boek weg te leggen als je al zo ver bent gekomen. Om het niet uit te lezen. Als ik nu stop met schrijven aan mijn blog, voorbode van mijn voorgenomen boek, dan zal niemand mijn verhaal kunnen uitlezen. Dan zal niemand weten hoe het afloopt. Erger nog, dat voelt alsof ik dan zelf, zonder de gewoonte om al schrijvend te reflecteren, nooit zal weten hoe mijn verhaal afloopt. Het verlangen om ooit te ontdekken hoe mijn verhaal afloopt hield me lang op de been, schrijversgewijs. Maar ik heb er steeds minder zin in. Het voortdurende geploeter in mijn leven dat maar niet lijkt te willen floreren is te confronterend geworden. Laat dat blog maar. Laat dat ploeterende leven maar. Laat maar. Geen opbeurende conclusie. Verontrustend ook, zo op de drempel van de invallende herfst, met depressie in haar kielzog. Maar zo is het. Laat maar…