dinsdag 29 november 2016

Orgasmeschien?

Wanneer ik vroeger geil was, had ik een permanent opgejaagd gevoel in mijn lijf. Onbewust stuurde ik mijn ogen dan koortsachtig heen en weer op zoek naar neukmateriaal. Niet concreet, want daar was ik veel te onzeker en onhandig voor als man, maar dan toch in elk geval om mezelf de opwinding te gunnen van aantrekkelijke vrouwen. Mijn hormoonbehandeling had mijn geilheid fundamenteel herijkt. Het duurde heel lang voor ik het kon herkennen. Geen opgejaagd gevoel. Geen koortsachtig gedoe. Het is een kalme ondertoon van ontvankelijkheid. Een soort ‘ja ik wil’ die aan niemand in het bijzonder is gericht.

Zo’n ‘ja ik wil’ had ik vanochtend ook. Ik lag in bed te dilateren. Sinds ik weer aan het werk was dilateerde ik nog maar twee keer per dag. Het was gewoon onmogelijk om – zoals de dokter me had opgedragen – driemaal daags een uur de tijd te vinden om mijn vagina te behoeden voor krimp. Wel probeerde ik nu per keer iets langer te dilateren, om mijn geweten te sussen. Vanochtend lag ik weer gedwee mijn eerste ronde dagelijks corvee uit te voeren. Het dilateren in Thaise stijl is in het geheel niet opwindend: ik moet gewoon de pelotte (de dilatatiedildo) zo ver mogelijk inbrengen en dan stevig aan blijven drukken. Maar toch voelde ik deze ochtend een verlangen. Ik voelde de volheid van mijn vagina en ik voelde de warmte van mijn hand tussen mijn benen. En toen voelde ik ineens ‘ja ik wil’. Zonder aarzelen ging mijn andere hand ook naar mijn vagina. Mijn middelvinger gleed even langs de met pelotte gevulde opening van mijn vagina om wat glijmiddel te verzamelen, om vervolgens langzaam omhoog te glijden tussen mijn schaamlippen door. Mijn vingertop streelde mijn kleine schaamlippen en toen ik iets harder drukte schoven ze uit elkaar. En daar was zij. Clit. Mijn clitoris. Ik had die natuurlijk inmiddels al vaker aangeraakt, maar nu voelde het anders. Zachter. Fijner. Mijn vinger deed haar pulserende werk, ondersteund door pelotte in mijn vagina die ineens heen- en weer was gaan bewegen. Het voelde fijn. Geborgen. Vol. Ik voelde me ontspannen. Ging hijgen. En toen schokte mijn been. Nu doet hij dat wel vaker als ik me ontspan, maar toen hij nog eens schokte en nog eens, voelde ik me gretig worden. Mijn handen verhoogden het tempo. Ik werd warm van binnen. Hijgde. Schokte. En toen kwam er een diepe zucht en minderde ik vaart. Langzaam strelend hield ik mijn beide handen tussen mijn benen, tot het wekkertje me vertelde dat de verplichte dilatatietijd er op zat.

Verward bleef ik liggen. Dit was heerlijk. Zo fijn was het nog niet eerder geweest als ik mezelf daar beneden aanraakte. Ik was er ontspannen van geworden. Tevreden. Ik wilde wel knuffelen, maar buiten Beer was er niemand in mijn bed. Met de pluizige randjes van Beers oren tegen mijn wang vroeg ik me af of ik nu was klaargekomen of niet. De sensaties waren fijn. Vervullend. Maar van een totaal andere orde dan het mannelijke orgasme dat ik zo goed kende. Ik had niet de intense, allesverslindende warmte gevoeld van endorfine die de bloedvaten van mijn brein in spoot, zoals hete thee je slokdarm kan verwarmen op het randje van aangenaam en pijnlijk. Niet de seconde van totale leegte, totale eenwording met alles en iedereen die ik ken van mijn mannelijke orgasme. Niet de verkramping in mijn schaamstreek. En geen ejaculaat. Was ik nu klaargekomen? Was dit mijn nieuwe orgasme? Misschien. Even voelde ik teleurstelling. En tegelijk was het goed zoals het was. Dit was sinds mijn operatie de eerste keer dat ik mezelf seksueel zover had gestimuleerd dat mijn lichaam duidelijk een piek bereikte in genot. Of dit de ultieme piek was of dat er nog een heel gebergte aan intense piekervaringen op me wachtte, deed er nu niet toe. Het was fijn zoals het was.

vrijdag 18 november 2016

Schoolfoto

De gewoonte steekt de kop op als ik me opgejaagd voel. Dan lijkt het een halszaak om het dagelijkse leven te optimaliseren. Dan minimaliseer ik mijn stappen door mijn huis door zoveel mogelijk dingen tegelijk te doen. Dan loop ik met een tandenborstel in mijn mond (die ik alleen in gedachten ook daadwerkelijk heen en weer beweeg), met een lege shampoofles naar de prullenbak in de keuken, terwijl ik onderweg nog een kledingstuk van het wasrek in de studeerkamer haal, waar ik dan alvast maar de computer aan zet omdat ik er zo op wil werken en neem ik onder mijn arm meteen maar de telefoonoplader mee om mijn telefoon op te laden die in de woonkamer ligt, waar ik dan – met mijn handen vol – ook nog maar een raam probeer open te zetten om het huis te luchten. EfficiĆ«nt qua passen, maar mijn prefrontale cortex loopt er meestal van over. Het levert me juist meer stress op in plaats van dat het me een gevoel van controle geeft. Ik weet het. Maar ja, stop er maar eens mee… Wanneer ik met deze doenerigheid en gejaagdheid thuiskom, in de hal de brievenbus leeg en de trap op loop naar mijn appartement, dan is de post natuurlijk al open, gelezen en gesorteerd voor ik boven ben. En nee, ik woon niet op de 12e verdieping.

In zo’n haastperiode leef ik nu ook. Ik heb het heel erg druk in mijn werk. Ik heb sinds jaren niet zoveel uren kunnen maken. Lang had ik niet de energie en het basisvertrouwen in mezelf om zoveel klussen aan te trekken en uit te voeren. Sinds mijn operatie kan het blijkbaar wel. Er is iets veranderd in mij. Ik schijn het uit te stralen, men ziet het in mijn ogen: “Je bent er weer”. Alsof ik het gevoel heb dat ik wat in te halen heb (wat volgens mijn bankrekening overigens ook echt zo is) ga ik harder dan eigenlijk goed is gezien de fase van mijn herstel. Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat ik nog geen vijf maanden geleden een hele zware en emotioneel ingrijpende operatie heb gehad.

Toen ik vandaag de brievenbus opende zag ik een envelop waarvan ik wist dat ik die meteen ging openen. Niet uit haast. Maar omdat ik het handschrift herkende en wist dat deze envelop me een boodschap zou brengen die me vast en zeker zou raken. Het handschrift was van mijn ex, de moeder van S. Ik scheurde de envelop meteen open en mijn oog viel op het kleine briefje in hetzelfde handschrift. Achter dit briefje vandaan stak een volle donkere bos ietwat warrig haar. Ik schoof het briefje opzij en keek in de ogen van S. Een schoolfoto. Even voelde ik verbazing en dankbaarheid naar mijn ex. En toen keek ik naar mijn zoon. Ik herkende hem meteen en dat verbaasde me. Want hoe langer ik hem aanstaarde in die donkere toegeknepen ogen van hem, hoe meer hij als een vreemde ging voelen. Ik zag een jongen die leek op de foto’s die ik in de woonkamer had staan. Hij leek ook op mijn ex. En op haar broer. Maar leek hij op mijn zoon? Wie is mijn zoon eigenlijk? Is mijn zoon de jongen uit mijn herinneringen van twee jaar geleden? Is mijn zoon de erg zieke jongen die ik eerder dit jaar een aantal keer mocht zien toen hij in het ziekenhuis lag? Of is mijn zoon die grote knul, jonge man bijna, die me nu vanaf het fotopapier aankeek? Kleur op zijn gezicht, zijn haar in volle glorie hersteld sinds zijn ziekbed: het gaat goed met hem. Ik was blij dat te zien. Maar de pijn in mijn hart vertelde me hoe groot de afstand tussen hem en mij was geworden. We waren elkaar aan het verliezen. Deze foto maakte voelbaar dat het niet langer mogelijk was om de draad op te pakken mochten we elkaar ooit weer zien. We zullen dan samen aan een nieuwe draad moeten beginnen. Een draad gesponnen uit het diepe besef hoeveel steken we hebben laten vallen.