vrijdag 18 november 2016

Schoolfoto

De gewoonte steekt de kop op als ik me opgejaagd voel. Dan lijkt het een halszaak om het dagelijkse leven te optimaliseren. Dan minimaliseer ik mijn stappen door mijn huis door zoveel mogelijk dingen tegelijk te doen. Dan loop ik met een tandenborstel in mijn mond (die ik alleen in gedachten ook daadwerkelijk heen en weer beweeg), met een lege shampoofles naar de prullenbak in de keuken, terwijl ik onderweg nog een kledingstuk van het wasrek in de studeerkamer haal, waar ik dan alvast maar de computer aan zet omdat ik er zo op wil werken en neem ik onder mijn arm meteen maar de telefoonoplader mee om mijn telefoon op te laden die in de woonkamer ligt, waar ik dan – met mijn handen vol – ook nog maar een raam probeer open te zetten om het huis te luchten. EfficiĆ«nt qua passen, maar mijn prefrontale cortex loopt er meestal van over. Het levert me juist meer stress op in plaats van dat het me een gevoel van controle geeft. Ik weet het. Maar ja, stop er maar eens mee… Wanneer ik met deze doenerigheid en gejaagdheid thuiskom, in de hal de brievenbus leeg en de trap op loop naar mijn appartement, dan is de post natuurlijk al open, gelezen en gesorteerd voor ik boven ben. En nee, ik woon niet op de 12e verdieping.

In zo’n haastperiode leef ik nu ook. Ik heb het heel erg druk in mijn werk. Ik heb sinds jaren niet zoveel uren kunnen maken. Lang had ik niet de energie en het basisvertrouwen in mezelf om zoveel klussen aan te trekken en uit te voeren. Sinds mijn operatie kan het blijkbaar wel. Er is iets veranderd in mij. Ik schijn het uit te stralen, men ziet het in mijn ogen: “Je bent er weer”. Alsof ik het gevoel heb dat ik wat in te halen heb (wat volgens mijn bankrekening overigens ook echt zo is) ga ik harder dan eigenlijk goed is gezien de fase van mijn herstel. Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat ik nog geen vijf maanden geleden een hele zware en emotioneel ingrijpende operatie heb gehad.

Toen ik vandaag de brievenbus opende zag ik een envelop waarvan ik wist dat ik die meteen ging openen. Niet uit haast. Maar omdat ik het handschrift herkende en wist dat deze envelop me een boodschap zou brengen die me vast en zeker zou raken. Het handschrift was van mijn ex, de moeder van S. Ik scheurde de envelop meteen open en mijn oog viel op het kleine briefje in hetzelfde handschrift. Achter dit briefje vandaan stak een volle donkere bos ietwat warrig haar. Ik schoof het briefje opzij en keek in de ogen van S. Een schoolfoto. Even voelde ik verbazing en dankbaarheid naar mijn ex. En toen keek ik naar mijn zoon. Ik herkende hem meteen en dat verbaasde me. Want hoe langer ik hem aanstaarde in die donkere toegeknepen ogen van hem, hoe meer hij als een vreemde ging voelen. Ik zag een jongen die leek op de foto’s die ik in de woonkamer had staan. Hij leek ook op mijn ex. En op haar broer. Maar leek hij op mijn zoon? Wie is mijn zoon eigenlijk? Is mijn zoon de jongen uit mijn herinneringen van twee jaar geleden? Is mijn zoon de erg zieke jongen die ik eerder dit jaar een aantal keer mocht zien toen hij in het ziekenhuis lag? Of is mijn zoon die grote knul, jonge man bijna, die me nu vanaf het fotopapier aankeek? Kleur op zijn gezicht, zijn haar in volle glorie hersteld sinds zijn ziekbed: het gaat goed met hem. Ik was blij dat te zien. Maar de pijn in mijn hart vertelde me hoe groot de afstand tussen hem en mij was geworden. We waren elkaar aan het verliezen. Deze foto maakte voelbaar dat het niet langer mogelijk was om de draad op te pakken mochten we elkaar ooit weer zien. We zullen dan samen aan een nieuwe draad moeten beginnen. Een draad gesponnen uit het diepe besef hoeveel steken we hebben laten vallen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten