zondag 1 januari 2017

Kruitdampen

Het huis is stil. L. is net weggegaan. Ze sliep bij mij nadat we gisteren samen met een paar honderd anderen 2016 dansend hadden uitgeluid, begeleid op vette beats. Een heerlijk blote-voeten-dansfeest dat voor mij jammerlijk bij de EHBO eindigde nadat ik in een scherp stuk plastic was gaan staan. Een bloedspoor op de dansvloer achterlatend; symbool voor de bloedoffers die ik in 2016 heb gedaan om in mijn eigen leven aan te kunnen komen. Afgelopen jaar won ik – o cynisch lot – dankzij zijn ziekte het contact met S. weer terug en verloor ik het opnieuw toen hij het ziekenhuis verliet. Vrienden verwijderden zich, vrienden kwamen dichterbij. Mijn energie kwam terug om bijna te breken in de overvloed van werk dat ik weer op me nam. En natuurlijk de grootste gebeurtenis van het jaar, van het decennium, van mijn leven: ik liet mijn mannenlijf gaan, na ruim vier decennia trouwe dienst.

En nu, tussen de optrekkende kruitdampen van de wisseling van het kalenderblad, is het stil. Een sereen moment van volle potentie. Een ingehouden adem van angst voor het onvermijdelijke onbekende. Ik sluit mijn ogen. Ik zie operaties; de laatste medische ingrepen om de fysieke realiteit aan te laten sluiten bij wie ik ben. Ik zie een man met wie ik hartstochtelijk zoen en de ultieme overgave beleef. Ik voel S. in een onwennige omhelzing. Onwennig, niet alleen vanwege het lange gemis en de heftige ervaringen die we beiden hebben beleefd, maar ook omdat onze schouders op gelijke hoogte blijken te zijn gekomen, letterlijk maar zeker ook figuurlijk.

Met mijn ogen dicht probeer ik de moeilijk te bevatten heftigheid van mijn leven tot me door te laten dringen. Ik adem diep in. En uit. En ik huil. Zoals je je pas moe voelt als je eindelijk eens rust neemt, zo komen mijn emoties nu er even geen nieuwe prikkels zijn. Ik sta op en strompelend om mijn voet te ontzien loop ik naar het raam. Ik kijk naar de kale, in zichzelf teruggetrokken bomen in mijn straat. Ze zullen weer gaan bloeien, in een overdaad aan levenslust. Terwijl ik mijn armen om mijn eigen middel sla, zo dicht bij een knuffel als maar mogelijk, vraag ik me af wanneer de lente komt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten