donderdag 23 februari 2017

Inparkeren

Het was net een parkeersensor: een enkele bliep en daarna een lange stilte, om aan te geven dat de afstand nog heel groot was. Af en toe een teken van leven, van mij naar S., om hem te laten weten dat ik aan hem dacht. Dat ik van hem hield. En dat hij welkom was, wanneer hij er aan toe zou zijn. Eind vorig jaar nam de frequentie toe, alsof we eindelijk, heel langzaam, gingen inparkeren. Bliep… een Whatsapp-gesprekje rond zijn verjaardag. Bliep… een opgestuurde chocoladeletter S met gedicht rond Sinterklaas, beantwoord met een welgemeend dankjewel. Bliep… een berichtje in de nacht van Oud & Nieuw, op zijn initiatief nog wel. Drie keer kort contact in zes weken tijd. De frequentie nam toe. Onmiskenbaar. Naderden we elkaar of was het toeval, ingegeven door het ritme van de kalender? Januari zou het leren.

Het bleef stil in januari en dat knaagde. Ik voelde weer de leegte die zo gewoon was geworden de afgelopen twee jaar. Met een kunstmatige vraag via Whatsapp van mijn kant – Hoe is het schat? – probeerde ik het nieuwe ritme krampachtig levend te houden, te bang om los te laten wat er aan het ontluiken leek. Of beeldde ik me dat momentum maar in, verblind door gemis en verlangen? Bliep. Mijn telefoon trilde. Een kort gesprekje volgde: vier, vijf zinnetjes bliepten over en weer. Ik schreef dat ik van hem hield, herhaalde dat ik hem niet kwalijk nam dat hij twee jaar geleden voor afstand koos. En zei dat ik hem miste. Dezelfde boodschap en hetzelfde schrijnende maar verstandige geduld met mijn eigen verlangen. Ik moest afwachten. Beschikbaar blijven. Het initiatief aan hem laten. Zoals ik al twee jaar deed. Een strategie die nog wel jaren kon duren, tergend, maar het was de enige optie die ik had, wilde ik hem niet verder wegjagen.

Tot, geheel onverwacht, gisteren ineens een vraag kwam. Een echte, serieuze vraag. De droge bliep waarmee het op mijn telefoon binnenkwam deed geen recht aan de grote knal waarmee ons contact door de geluidsbarrière ging. Hij wilde weten waarom zijn moeder en ik destijds gescheiden waren, toen hij nog geen drie jaar oud was. “Ik heb een gesprek gehad vandaag met iemand en die heeft me 180 gedraaid en ik wil even wat vragen stellen”, motiveerde hij zijn directheid. Mijn hart bonkte op adrenaline. Dit was het moment: een opening, een kier. Met trillende handen vol ongeloof en ontzag voor het moment, raakte ik een voor een de letters op het scherm aan. Emoties van boosheid, ongeduld en gekrenkte trots grepen steeds naar de macht. Het besef van deze unieke, misschien wel eenmalige kans op herstel van vertrouwen, hield me bij de les. Het ging niet om de egopatronen van mijn beschadigd verleden. Hier lag een kans op oprecht contact, waarbij de grootste uitdaging niet was om S. in zijn volledige waarde te zien, maar juist mezelf. Ik antwoordde, eerlijk en met respect naar mijn ex. Bliep. Een nieuwe vraag volgde. Bliep. En nog een. S. durfde de denkbeelden ter discussie te stellen die hem de afgelopen jaren hadden verzekerd van de loyaliteit van degene van wie hij zo afhankelijk was geweest. Met elke vraag, en elk antwoord, verruimde hij zijn horizon. De bliepjes volgden elkaar steeds sneller op en ik voelde zijn achterdocht, zijn afstand, zijn angst steeds kleiner worden. Alsof we met elk bliepje weer langzaam achteruit inparkeerden in elkaars leven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten